|
|
Interview met Dana en Stefaan
Soetkin: “Hallo, willen jullie je eerst kort eens voorstellen? Wie zijn jullie?’
Stefaan: “Mijn naam is Stefaan, en ik woon hier in Brugge.”
Dana: “Mijn naam is Dana, en ik woon ook in Brugge.”
Soetkin: “Je bent zichtbaar zwanger, proficiat. “
Dana&Stefaan: “Dank u”
Soetkin: “Hoelang ben je nu al zwanger?”
Dana: “Nu ben ik 31 weken zwanger.”
Soetkin: “Je kent ons project, we willen graag informatie geven over wat er tijdens de zwangerschap zoal gebeurt aan doven en slechthorenden, en willen deze informatie vertalen naar Gebarentaal. Nu ben jij 31 weken zwanger, als je informatie nodig hebt, waar zoek je die dan? Op welke manier ga je tewerk?”
Dana: “Ik probeer zelf informatie te zoeken op internet, via het ziekenfonds, door boeken te lezen, en ook informatieavonden in het ziekenhuis, daar kan je cursussen volgen.”
Soetkin: “Als je een cursus volgt, is er dan een tolk aanwezig?”
Dana: “Ja, zeker. Dat is nodig.”
Soetkin: “Als er een tolk aanwezig is, verloopt de communicatie dan gemakkelijk?”
Stefaan: “Ja hoor. De lesgever vertelt gewoon, en de tolk vertaalt alles voor mij. Dat gaat goed. Zelf kunnen we ook vragen stellen. Als er geen tolk is durven we niet zo goed vragen te stellen. Dan hebben we het gevoel dat iedereen naar ons kijkt. Met een tolk erbij kunnen wij ook gewoon vragen stellen”
Soetkin: “Ok. Als jullie naar de dokter of vroedvrouw gaan, gaat er dan ook een tolk mee?”
Dana: “Jaja, er is altijd een tolk mee. Maandelijks gaan we naar de dokter en de tolk is er altijd. Zo kunnen we de het voor 100% verstaan. Als er geen tolk zou zijn zou ik zeker niet alle informatie krijgen. Gelukkig is die er, zodat die alle informatie kan oppikken en voor mij tolken naar Gebarentaal.
Soetkin: “Dus tot nu toe is er altijd al een tolk mee geweest, die heeft nog nooit verstek gegeven? In feite heb je het nog nooit meegemaakt, dat je voor de dokter zit en oraal moet proberen te communiceren.”
Dana & Stefaan: “Nee.”
Soetkin: “Jullie moeten in juni bevallen, gaat er ook een tolk mee naar de bevalling?”
Dana: “Daar twijfelen we nog over.”
Soetkin: “Je weet het nog niet…”
Dana: “Nee, inderdaad.”
Soetkin: “Er is nog twijfel…”
Dana: “Als er een tolk bij is, is dat zeker wel plezant omdat we dan 100% begrijpen wat er gezegd wordt. Als ik aan het bevallen ben, en voor mij staan bij voorbeeld twee mensen te praten, dan kan de tolk vertalen wat ze zeggen. Als de baby bijvoorbeeld na de geboorte snel weggenomen zou worden, dan kan de dokter via de tolk laten weten wat er gebeurt. Als er op dat moment geen tolk aanwezig is, dan sta ik daar… Dan weet ik niet meer wat er gebeurt omdat ik niets hoor. Dan begrijp ik niets. Maar, het is natuurlijk wel een intiem moment. Als wij er alleen zijn is het meer privé. Als er een tolk bij is dan, tja… Het heeft zijn voor- en zijn nadelen.”
Soetkin: “Heb je nog tolkuren genoeg om steeds naar de dokter te gaan. Raken ze niet stilaan op?”
Stefaan: “Ja, gelukkig zijn we met twee en hebben we beiden recht op een tolk. We hebben er ook nog de extra 16 uren, dat brengt het totaal op 64 tolkuren voor ons samen. Dat is wel een voordeel. Maar als ik bijvoorbeeld geen recht zou hebben op een tolk, dan hadden we wel een probleem natuurlijk.”
Soetkin: “Ja… Wacht, wat moest ik nog vragen?”
Dana: “En ook, als er tijdens de bevalling een tolk aanwezig zou zijn, dan zijn dat ineens heel veel tolkuren die in een keer opgebruikt worden. Je weet ook niet wanneer je precies zal bevallen. Neem nu, de weeën beginnen, ik stuur een sms naar de tolk, die onmiddellijk komt. Veronderstel nu dat de weeën 24 uur duren, dan ben ik al die tolkuren kwijt. Rekening houden me die uren is dus ook niet gemakkelijk.”
Soetkin: “Ja, dat is waar.” “De tolk die meegaat, is dat steeds dezelfde tolk?”
Dana: “Ja, het is altijd dezelfde tolk.”
Soetkin: “Ah, ok. Euh… Hoeveel keer zijn jullie tot nu toe naar de dokter geweest?”
Dana: “Elke maand.”
Stefaan: “Zo’n zeven of acht keer.”
Soetkin: “Maar de dokter, of gynaecoloog beter gezegd, die moet jullie nu toch al wat beginnen kennen. Begrijpt die nu ook beter op welke manier hij met jullie kan communiceren, ook zonder tolk? Ik bedoel bijvoorbeeld… Euh… Als mensen voor de eerste keer een dove persoon ontmoeten, dan weten ze niet goed hoe ze hiermee moeten omgaan. Later worden ze dat dan gewoon, en verloopt dit vlotter. Voelen jullie bij de dokter een verschil, als je de beginsituatie vergelijkt met de huidige situatie?”
Dana: “In het begin was er al een tolk mee.”
Soetkin: “Inderdaad, die was al mee van in het begin. En wist de dokter hoe de omgang met de tolk verliep?”
Dana: “Ja hoor.”
Soetkin: “Ik dacht, als je gaat bevallen, en de dokter is al een beetje gewoon om zich aan te passen, dan is dat misschien al iets.”
Stefaan: “Ja, toch… Vroeger, in het begin dat er een tolk aanwezig was, dan vertelde de dokter steeds korte stukjes die getolkt werden. Nu wordt er via de tolk veel meer verteld. Dat is wel een verschil. Nu is hij het dus gewoon om met een tolk te werken. De eerste keer was het een beetje vreemd moest hij nog wennen aan de functie van de tolk. Nu spreekt de dokter gewoon, en de tolk, die tolkt.”
Dana: “Hij weet nu wat hij moet doen als er een tolk aanwezig is.”
Soetkin: “Nu eventjes over informatie opzoeken. Je kan internet raadplegen, boeken lezen,… Alles hierbij is in het Nederlands geschreven. Gebeurt het dat je soms iets leest en de inhoud niet 100% begrijpt of zo? Tot nu toe bestaat er geen informatie over zwangerschap in Vlaamse Gebarentaal.”
Dana: “Op de website van de ziekenbond heb je wel beelden. Er is nu ook een speciaal nieuw project van de ziekenbond. Hierbij komt er iemand aan huis die uitleg geeft over zwangerschap. Dat is wel veel duidelijker voor mij.”
Soetkin: “Dat is interessant. Dat heb ik nog niet gezien. Over welke ziekenbond gaat het?”
Dana: “Partena.”
Stefaan: “Dat is de ziekenbond voor zelfstandigen.
Dana: “Je hoeft er geen zelfstandige voor te zijn hoor, het is gewoon een onafhankelijk ziekenfonds.” “In alle geval kwam er iemand aan huis vertellen over het ziekenhuis, het kraamgeld, premies, vaderschapsverlof, regelingen voor zelfstandigen, en wat je zoal moet doen. Hierbij was er ook een tolk aanwezig. Zo konden we alles begrijpen.”
Soetkin: “Dus als de informatie helemaal begrepen wordt, is het wel informatie in Gebarentaal. Als er dus informatie later over alle aspecten van zwangerschap ter beschikking zou zijn in Gebarentaal, dan zou dit wel interessant zijn voor jullie?”
Dana en Stefaan: “Ja, zeker en vast.”
Soetkin: “Ons project bestaat er dus uit om hiervoor een eerste stap te zetten.”
Stefaan: “Laatst waren we bij de gynaecoloog, en daar speelde een nieuwe dvd, met een film, met het hele verhaal vanaf nul tot de geboorte, doorheen de negen maanden zwangerschap.”
Dana: “De titel was ‘9 maanden’.”
Stefaan: “Dat was een interessante film, maar er was geen ondertiteling. Als was gewoon gesproken. Wij wilden de dvd graag bekijken, maar doordat het enkel gesproken taal was zonder ondertiteling kon dit niet. Als de informatie ook in Gebarentaal op het scherm zou verschijnen, dan zou dit heel interessant zijn voor ons.”
Soetkin: “Ik moet eerlijk zijn, wij hebben zelf ook gevraagd of we die dvd ‘9 maanden’ mochten gebruiken om te vertalen, maar we hebben geen toelating gekregen. Daarom zijn we nu met een ander project gestart. Wel jammer… Ik zou het eens kunnen tonen aan de maker van de dvd wat jullie nu gezegd hebben. Dan heb ik het niet zelf gezegd hé.”
“Ik heb nog een vraag voor jullie. Wat denken jullie dat er voor dokters of vroedvrouwen, of de overheid belangrijke tips zouden zijn als ze met doven of slechthorenden in contact komen als het gaat over zwangerschap?... Misschien een moeilijke vraag.”
Dana: “Dat we meer informatie krijgen door een vroedvrouw, en ook door Kind en Gezin.”
Soetkin: “Meer dan nu? Bedoel je dat het in Gebarentaal moet, of bedoel je het in het algemeen?”
Dana: “Welja, informatieavonden over Kind en Gezin bijvoorbeeld. Daarin wordt ook verteld wat er zoal nodig is.”
Soetkin: “Maar nu bestaat dat toch al hé.”
Dana: “Jazeker, er bestaan infoavonden van Kind en Gezin.”
Stefaan: “Elk ziekenhuis heeft eigenlijk zijn eigen cursussen.”
Soetkin: “Ja, maar ik bedoelde iets dat er nu nog niet is. Bijvoorbeeld… Volledig… Euh… Wat zei ik net ook alweer? Bijvoorbeeld in Frankrijk is er een dvd uitgebracht. Dat zou een tip kunnen zijn.”
Stefaan: “Frankrijk heeft sinds kort een dvd in Gebarentaal over zwangerschap en bevalling. En ook, ik weet niet helemaal zeker of het juist is wat ik vertel, maar daar heeft ieder ziekenhuis ook een tolk die 24 op 24 kan opgeroepen worden. Daar hoef je zelf niet regelen dat er een tolk is , omdat het ziekenhuis een tolk, die als bediende in het ziekenhuis werkt, contacteert als de bevalling eraan komt. Ik denk dat het systeem daar zo werkt.”
Dana: “Wij hebben ook geluk dat er in ons ziekenhuis een vroedvrouw is, of eigenlijk niet echt een vroedvrouw, is die een beetje gebaren kent. Dat is ook wel een voordeel.”
Soetkin: “Is het een vroedvrouw of een verpleegster?”
Dana: “Ik denk dat geen vroedvrouw is, maar een verpleegster die op de afdeling materniteit werkt.”
Soetkin: “Dat is een voordeel, dan heb je misschien geen tolk nodig bij de bevalling, als zij aanwezig zou kunnen zijn…”
Dana: “Ja, maar de vraag is of ze op dat moment moet werken natuurlijk. Het hangt ook af van haar werkuren.”
Soetkin: “Misschien kan je ze vragen om haar schema aan jullie aan te passen.” “En als de bevalling voorbij is, blijf je dan nog in het ziekenhuis?”
Dana: “Ja, voor vijf dagen.”
Soetkin: “Dat betekent dat je in die vijf dagen ook nog veel contact zal hebben met de vroedvrouwen. Daar zal dan geen tolk aanwezig zijn…”
Dana: “Ik denk dat dat wel een beetje voor problemen zal zorgen. Wij willen ook alle informatie krijgen, het is tenslotte ons eerste kindje. We willen alles zo perfect mogelijk. Als de kinderarts komt bijvoorbeeld, of als Kind en Gezin langskomt, dan zullen we zeker niet alles 100% begrijpen. Ze zullen ons ook niet alles vertellen als er geen tok aanwezig is. Hierdoor zullen we wel bepaalde dingen missen, maar ja, dat zullen we dan wel zien.”
Soetkin: “Dat zal moeten opgelost worden. Briefjes schrijven?...”
Stefaan: “Inderdaad”
Dana: “Of een vroedvrouw die zelf Gebarentaal leert. Dat zou misschien ook interessant zijn.”
Soetkin: “Dat zou zeker interessant zijn.” “Je kan er nu naartoe gaan, en ze alvast gebaren aanleren…”
Dana: “Daar moet de overheid voor zorgen.”
Soetkin: “Zo zijn er nog meer tips…” “Dank je voor het interview.”
Dana en Stefaan: “Graag gedaan.”
Soetkin: “Hallo! En welkom…”
Véronique: “Dank je.”
Soetkin: “…in je eigen huis.”
Véronique: “Ja, zeg…”
Soetkin: “Wie ben jij? Heb je kinderen?...”
Véronique: “Mijn naam is Véronique. Ik ben de mama van David en Emmanuel, twee jongens, die allebei horend zijn.”
Soetkin: “Hoe oud zijn ze? Wanneer zijn ze precies geboren?”
Véronique: “De oudste is 26, en de jongste 25.”
Soetkin: “Als je zwanger was, en je ging naar de dokter, hoe verliep de communicatie daar dan? Was er een tolk aanwezig?”
Véronique: “In de tijd dat ik zwanger was en moest bevallen waren er geen tolken. Helemaal in het begin, de eerste keer, ging ik samen met mijn moeder. Wanneer ik zwanger wilde worden, ging dit eerst moeilijk, aanvankelijk kon ik geen kinderen krijgen. Later kon ik dan gelukkig toch kinderen krijgen, dus daar was David. De eerste keer ging ik dus samen met mijn mama naar de dokter. Maar later, bij de tweemaandelijkse bezoeken ging ik wel alleen. …………………………….………………. Ik had het gevoel dat de dokter meer met mijn moeder sprak dan met mij. Dat was niet fijn. Ik had er zelf geen contact mee.”
Soetkin: “Als je naar de dokter ging, ging je man dan mee?”
Véronique: “Ik denk van niet. Maar dat ben ik zelf eigenlijk een beetje vergeten. Sorry hoor.”
Soetkin: “Dat is niet erg.” “En daarna, toen je de eerste keer moest bevallen, kan je daar iets over vertellen?”
Véronique: “Jazeker, natuurlijk. Normaalgezien moest mijn eerste kindje geboren worden op ……………………..…… Maar op die dag gebeurde er helemaal niets. De dokter vond dit wel vreemd, en hij vond het beter dat ik naar het moederhuis zou gaan in het ziekenhuis. Daar onderzochten ze mij om te weten waarom de bevalling nog niet op gang gekomen was.”
Soetkin: “Was je overtijd?” (fout gebaar voor overtijd… hierna verduidelijking over dit gebaar)
Véronique: “Ja, ik was overtijd. Ik kwam toen dus aan in het moederhuis, waar de dokter mij onderzocht, toen ging hij even weg voor verder onderzoek. Wanneer hij terugkwam trok hij een foto van mijn buik en ging toen weer weg. Toen hij daarna terugkwam zei de dokter, o ja, mijn moeder was er toen ook bij op dat moment, maar toen zei de dokter dat het zeker een keizersnede zou worden. Ik schrok me te pletter en mijn moeder vroeg waarom dit zo zou zijn. De dokter toonde de foto waarop te zien was dat het hoofdje van mijn eerste baby, die op de foto in foetushouding te zien was, een opening van 10cm nodig had, terwijl de opening van mijn bekken maar 9cm was. Hierdoor moest ik een keizersnede ondergaan. Ik schrok wel, maar wat er juist aan de hand was, dat wist ik niet. Maar, de vrouw van een collega van mijn vader was hoofdkinderverzorgster, die ook baby’s verzorgde. Zij wist ook hoe bevallingen verliepen. Ze heeft me wel uitgelegd wat er juist gebeurt, hoe een keizersnede in zijn werk gaat, of het pijn doet, en hoe het allemaal verloopt. Zij heeft mij die informatie allemaal gegeven, daar denk ik nu plots aan.
Soetkin: “Maar de dokter had je dus zelf niet rechtstreeks uitgelegd waarom dit allemaal zou moeten gebeuren?”
Véronique: “Nee, niets”
Soetkin: “Niets?”
Véronique: “Helemaal niets.”
Soetkin: “En daarna, in de operatiezaal? Hoe kon je daar communiceren?”
Véronique: “Dat was echt heel zwaar voor mij. Daar was een vrouw die me dingen vertelde, maar wat ze echt bedoelde, dat wist ik eigenlijk niet. Daarna kwam de keizersnede, en dat was echt een schok voor mij. Er was geen enkele communicatie, niemand had mij verwittigd van wat de gevolgen zouden zijn, enzovoort… Ik voelde er mij heel slecht door. Ik had daarna ook enorm veel pijn in mijn buik. Ik mocht bijvoorbeeld niet eten, ze staken een infuus, maar hierover kreeg ik geen enkele informatie. Absoluut niets. En zelf was ik moe. Ik voelde me ook verlaten, aan de kant geschoven, alsof ze me vergeten waren. Het was heel emotioneel. Met mijn baby, David, had ik het ook zwaar. Ik wilde borstvoeding geven, maar dit kon niet, want ook hierover had ik geen enkele informatie. Ik had zoveel pijn en wist niet hoe ik dit kon uitleggen. Ik was ook enorm moe.”
Soetkin: “De vroedvrouw daar…”
Véronique: “De zuster.”
Soetkin: “De zuster… kon zij jou niet helpen bij de communicatie en uitleg geven?”
Véronique: “Nee, dat ging niet omdat er geen mogelijkheid tot communicatie was.”
Soetkin: “Daar lag de reden.”
Véronique: “Zeker en vast.”
Soetkin: “En dan, je tweede bevalling… was dat beter?”
Véronique: “Ik wist al dat mijn eerste zwangerschap en bevalling heel erg waren geweest. En normaalgezien wilde ik ook geen tweede kind. Ik ging ermee ophouden. Maar toen was ik per ongeluk toch weer zwanger, en dat moest ik dan aanvaarden. Maar voor mezelf was dit heel emotioneel. Maar nu ben ik wel blij dat hij er is hoor.”
Soetkin: “Ja, natuurlijk.”
Véronique: “Maar echt, door mijn ervaring met de eerste zag ik dit echt niet zitten om opnieuw door die pijn te gaan. Maar nu wist ik wel wat ik moest doen. Dat was wel beter als ik het met de eerste, ik wist wanneer en wat er juist zou gebeuren en zo. Maar opnieuw was er geen enkele communicatie met de dokter, en kreeg ik geen informatie.”
Soetkin: “Is die bevalling ook een keizersnede geworden?
Véronique: “Ja.”
Soetkin: “Maar er was nog steeds geen goede communicatie.”
Véronique: “Nee, helemaal niet.”
Soetkin: “De ervaring met je eerste had je echter wel al.”
Véronique: “Jazeker.”
Soetkin: “Misschien was dit nog te weinig. En na de keizersnedes, hoelang moest je dan nog in het ziekenhuis blijven? Een week?”
Véronique: “Lang hoor, 10 dagen.”
Soetkin: “10 dagen… en wanneer ze je dan kwamen verzorgen, gaven ze je dan helemaal geen extra uitleg?”
Véronique: “Nee, niets.”
Soetkin: “En als je zelf, voor de bevalling er over nadacht hoe alles in zijn werk zou gaan, en hier vragen over had, kon je dan een boek lezen, of naar iemand toe stappen met je vragen.”
Véronique: “Nee…”
Soetkin: “Je ouders of zo, of een zus die uitleg kon geven.”
Véronique: “Mijn oudste zus heeft ook een keizersnede gehad, maar zij woont niet in België, ze woont in Duitsland. Hierdoor hebben wij weinig contact, en email bestond toen nog niet. Als ik contact met haar had was dat via mijn moeder die ze aan de telefoon had. Maar zij had me wel gewaarschuwd dat je na een keizersnede snel opnieuw zwanger kon worden. Dat is de enige waarschuwing die ik gekregen had, voor de rest niets.”
Soetkin: “Had je vriendinnen die al bevallen waren aan wie je uitleg kon vragen?”
Veronique: “Bedoel je dove of horende mensen?”
Soetkin: “Doven bijvoorbeeld.”
Veronique: “Andere doven wisten hier ook niets over. Marie-Rose (buiten beeld) bijvoorbeeld, zij wist hier ook niets over. Wij wisten hier allebei niets over. Wij hadden hier echt geen idee over. Het is waar hé? (aan de omstaanders). We konden hierover dus ook geen informatie met elkaar uitwisselen. Daarnet stond ik te kijken naar het interview met Marie-Rose, en zij sprak over een bepaald schoolboek. Wel, dat boek had ik ook. Ik heb dat boek nog bewaard, daar denk ik net aan. Ik zal het je eens geven.”
Soetkin: “Dank je.” “En beeld je nu eens in dat je nu 20 jaar jonger zou zijn, of je bent opnieuw een twintiger.”
Veronique: “Ik denk dat het nu wel helemaal anders zou zijn.”
Soetkin: “Wat denk je hierover?”
Veronique: “Ten eerste zou ik zeker informatie verzamelen, en hier dingen over opzoeken. Ten tweede…”
Soetkin: “Hoe zou je hier dan dingen over opzoeken?”
Veronique: “Ik zou gewoon zoeken. Maar een keizersnede zoals bij hem (achter de camera), dat weet je natuurlijk pas de dag zelf, en dan heb je geen tijd meer om nog op te zoeken of boeken te lezen of zo. Maar wat echt het interessantste zou zijn weet ik niet. Of ik een tolk zou meenemen, daar twijfel ik een beetje over. Het zou beter zijn dat, als jij je diploma haalt, je de informatie kan vertellen in Gebarentaal. Alsjeblieft, dat is echt nodig. Dat wordt echt tijd.”
Soetkin: “Ik doe mijn best.” “Nu iets over een tolk. Zou je bijvoorbeeld wel een tolk meenemen naar de consultaties bij de dokter?”
Veronique: “Ja, dat wel. Als ik informatie wil vragen zeker wel. Maar tijdens de bevalling zelf, dat is toch iets heel persoonlijks.”
Soetkin: “Ja, dat is heel persoonlijk. Dat is ook een moeilijke vraag. Van iedereen aan wie ik het vraag kan er eigenlijk niemand echt op antwoorden wat ze hierover denken.”
Veronique: “Maar als mijn zoon bijvoorbeeld tolk zal zijn, dan zou ik hem ook niet meenemen denk ik.”
Soetkin: “Wat zeg je?”
Veronique: “Mijn jongste zoon(achter de camera) kan ook tolken, en als ik nu opnieuw zwanger zou zijn, dan zou ik hem zeker niet meenemen om voor mij te tolken.”
Soetkin: “Hij zegt dat hij ook niet zou willen.”
(Gelach samen met omstaanders.)
Soetkin: “Dat is ook normaal hé, als je zwanger bent, dan kan je eigen kind niet tolken, want dan zit het nog in je buik.”
Veronique: “Dat heb je goed gezegd.”
Soetkin: “Dank je voor je getuigenis.”
Véronique: “Graag gedaan.”
|
Soetkin: “Hallo, welkom. Kan je je eens voorstellen? Je naam, heb je kinderen, enzovoort…?”
Kristien: “Mijn naam is Kristien. Mijn familienaam hoeft er niet perse bij hé. Ik heb drie dochters, de oudste is nu 22, de tweede is 18 en de derde is 15 jaar oud. Ze zijn dus geboren in ’87, ’90 en ’93. Ze zijn alledrie horend. Bij de geboorte van de eerste had ik verwacht dat ze doof zou zijn. Mijn man is doof, en in zijn familie komt veel doofheid voor. Bij mezelf zit het niet in de familie. Maar toen mijn eerste dochter geboren werd, bleek ze horend te zijn. De tweede was ook horend, en de derde uiteindelijk ook.”
Soetkin: “Toen je zelf zwanger was, en je moest als dove naar de dokter, of het ziekenhuis,… -ben je in het ziekenhuis bevallen?-
Kristien: “Ja.”
Soetkin: … had je dan (bij de dokter of in het ziekenhuis) een tolk mee?”
Kristien: “Nee… ik geloof dat er in die tijd wel al tolken waren, maar niet zo veel. Ik weet niet of ik zelf op dat moment besefte dat er tolken waren. Na verloop van de jaren deed ik dat zeker wel. “
Soetkin: “Toen was je er nog niet aan gewoon.”
Kristien: “Nee, dat klopt.” “Toen ik voor de eerste keer zwanger was, dat was eigenlijk een ongelukje. Mijn vader wist bijvoorbeeld niet dat ik zwanger was. Hierdoor zocht ik zelf in het telefoonboek waar ik een gynaecoloog kon vinden. Ik vond er een in Gent. Daar ben ik dan zelf naartoe geweest om alles te bespreken en afspraken te maken. Tegen die tijd wist mijn moeder het wel, maar ze ging niet mee naar de gynaecoloog. Ondertussen werd mijn zwangerschap wel zichtbaar, en moest ik het natuurlijk ook aan mijn vader vertellen. Die was wel kwaad op mij, maar ah ja, dat is lang geleden. De communicatie bij de dokter verliep wel moeilijk.”
Soetkin: “Hoe loste je dat dan op?”
Kristien: “We schreven veel op. De gynaecoloog deed ook wel zijn best om goed te articuleren, en als ik iets niet begreep, dan schreef hij het op. Het was wel altijd zeer beknopt, het gaf zeker geen uitvoerige uitleg. Hij gaf gewoon de belangrijkste zaken mee, meer niet. Bij de tweede was er iets veranderd. Mijn gynaecoloog was ondertussen gestorven aan kanker. Hij had mijn naam doorgegeven aan een collega met wie hij samenwerkte. Ik ging daar dus naar toe, en ik dacht dat de communicatie daar, met die mannelijke dokter, beter zou verlopen. Maar eigenlijk was het net hetzelfde, en toen heb ik toch nog niet aan een tolk gedacht. Bij mijn derde zwangerschap ben ik naar dezelfde gynaecoloog gegaan, en verliep het dus ook op een gelijkaardige manier.”
Soetkin: “Dus die gynaecoloog werd dus een beetje gewoon aan jou?”
Kristien: “Misschien wel ja. Maar wanneer ik diepere informatie nodig had, toen kreeg ik die van mijn zus die ook zwanger was en er meer van wist, niet van de dokter. Mijn zus gaf me informatie door, vertelde waar ik op moest letten, enzovoort.”
Soetkin: “Je zus, is zij ook doof?”
Kristien: “Nee, mijn zussen zijn alle vier horend, en toevallig was één van hen was gelijktijdig zwanger als ik. Een andere zus van me was wel al bevallen van twee kinderen, dus zij wist ook veel, en zij vertelde me ook veel. En daarbij kreeg ik ook nog veel te horen van de zus die samen met mij zwanger was.”
Soetkin: “Je kreeg de meeste informatie dus van je familie, van je zussen. Kreeg je ook info via je moeder?”
Kristien: “Ik had eigenlijk een iets minder sterke band met mijn ouders, ik zat namelijk op internaat. Nu is de band wel goed hoor, maar echt diepgaande gesprekken hadden we niet. Ik zei wel soms dat ik pijn had of als de pijn erger werd, dat wel. Maar mijn vader is echt katholiek en daarom vertelde ik niet alles over mijn zwangerschap, en liet ik veel dingen weg.”
Soetkin:”Ja, dat begrijp ik.”
Kristien: “Meer diepgaande uitleg vond ik beter.”
Soetkin: “En heb je zelf ook boeken gelezen of zo over het onderwerp?”
Kristien: “Een beetje, ja, maar het bleef heel beperkt. Ik las wel hier en daar iets over de bevalling zelf, over de pijn die erbij zou komen, en over wat ik moest eten en zo. Maar ik las geen hele pagina’s hoor, ik koos er hier een daar een stukje met de belangrijkste zaken uit om te lezen. Gewoon de dingen die ik fijn vond om te weten. Maar ook mijn schoonzus, de zus van mijn man, zij kan ook goed Gebarentaal. Ken je ze niet, Martine D’Hondt?
Soetkin: “Euh… Ah ja.”
Kristien: ”Zij kan goed Gebarentaal en heeft mij ook veel verteld. Dat was heel aangenaam voor mij. Zo kreeg ik antwoorden op veel vragen. Dat is was veel duidelijker voor mij.”
Soetkin: “Ah zo. En… beeld je nu eens in dat je nu opnieuw zwanger zou zijn hé, ik zeg dit als fictief voorbeeld hé, zou je dan nu wel een tolk meenemen naar de dokter?
Kristien: “Ja, dat zou ik wel zeker doen, maar ik zou geen tolk meenemen in de verloskamer. Als er op moment nog iemand op staat te kijken… dat gaat niet. Iemand die aanwezig is in de kamer ernaast, dat zou ik wel willen, maar niet mee in de verloskamer terwijl ik daar lig met gespreide benen.”
Soetkin: “Ja, natuurlijk.” (“ David heeft ook een vraag.”)
Kristien: “Ik denk dat ik vooral bij de bezoeken aan de gynaecoloog een tolk zou meenemen. In het hospitaal, dat weet ik niet goed. Misschien wel na de bevalling, om tips mee te krijgen, om te weten of jet kindje al dan niet gezond is.
Soetkin: “David (achter de camera) heeft ook een vraag voor je. Nu zijn we volop bezig met ons project, om informatie om te zetten naar Gebarentaal, zodat je op de website filmpjes met informatie kan bekijken. Denk je dat dit interessant kan zijn voor zwangere vrouwen om deze informatie uitgelegd te zien in Gebarentaal?”
Kristien: “Jazeker. Niet zo lang geleden, zo’n twee maanden geleden las ik het tijdschrift van fevlado, met daarin de verhalen over drie verschillende bevallingen. Dit vond ik heel interessant. Een tolk is echt onontbeerlijk. De getuigenissen kwamen uit Denemarken, Frankrijk en België, dit was echt heel interessant. Jongeren moeten het recht op goede tolkservice kennen en meer beroep moeten kunnen doen op een tolk, dat vind ik wel. Dat is echt gemakkelijk. Mijn eerste kind heeft een handicap.”
Soetkin: (“Handicap…??? Verwarring over het gebaar voor handicap…)
(Omstaanders buiten beeld tonen het gebaar voor syndroom van Down.)
Kristien: “Ah zo, dit is het gebaar voor syndroom van Down. Bij de bevalling bleek dus… Nee, de eerste dag wisten we het nog niet, maar toen heeft de dokter het gezien aan de pink. En dat vertelde hij allemaal aan mijn zus! Waarom vertelde hij dat niet aan mij? Het ging wel over mijn kind! Maar de dokter richtte zich tot mijn zus. Op deze manier werd zij de tussenpersoon. De dokter durfde zich niet tot mij richten om te zeggen; ‘sorry, uw kind is gehandicapt’, want natuurlijk was dit wel pijnlijk om te horen, en moest ik ook wel huilen. Maar toch had ik veel liever gehad hij dit rechtstreeks tegen mij gezegd zou hebben.”
Soetkin: “Waarom richtte hij zich niet rechtstreeks tot jou? Omdat je doof bent of omdat…”
Kristien: “Inderdaad, omdat de communicatie niet mogelijk was.”
Soetkin: “Door de falende communicatie dus, en daardoor verliep het via een derde persoon…”
Kristien: “Inderdaad. (Ja, het was ook juist een oudere dokter.)”
Soetkin: “Anders zou hij het wel rechtstreeks tegen jou gezegd hebben.”
Kristien: “Jazeker. Bij andere mensen, horenden, bij jou bijvoorbeeld, had hij het zeker ook tot jou gericht.”
Soetkin: “Ja, natuurlijk.”
Kristien: “Wel, dat wil ik ook. Het is tenslotte mijn eigen kind. Daarom is een tolk wel interessant. Maar soms denk ik ook wel dat ik liever mijn zus mee zou hebben. Zij is familie en geeft me ook steun. Dat doet een tolk wel minder. Mijn zus kan ook troosten. Met een tolk komt het ook wel harder aan. Hoe moet een tolk dat ook zeggen hé? Als alles normaal is kan een tolk zonder problemen gewoon tolken, maar als het een handicap heeft, wat moet die dan doen? Die kan daar ook wel wat schrik voor hebben. Een zus geeft na de bevalling meer steun, gaat troosten, en het zal voor mij ook minder pijnlijk zijn.”
Soetkin: “Inderdaad. Als er een tolk bij is ligt de verantwoordelijkheid bij de dokter, die dan rechtstreeks met je kan communiceren. De tolk gaat gewoon vertalen.”
Kristien: “Ik zou wel eens willen weten hoe het andere dove vrouwen vergaat na de geboorte van een kindje met een handicap wanneer er wel een tolk bij is. Ik zou die twee situaties wel eens met elkaar willen vergelijken. Maar ik heb nog nooit over dergelijke situatie gehoord.”
Soetkin: “In België zijn er niet zo veel natuurlijk. Misschien moeten wij nog proberen om mensen uit België te strikken voor een interview die dat meegemaakt hebben, met een tolk erbij. Dan kunnen we het jou ook vertellen. “ “-Moest ik nu nog iets vragen?... Nee, is ’t goed?- Wel dan, bedankt !”
Kristien: “Bedankt.”
|
|
Soetkin: “Hallo, welkom! Kan je je eens voorstellen? Hoe heet je? Heb je kinderen…?
Marie-Rose: “Mijn naam is Marie-Rose. Ik heb drie kinderen. De oudste, mijn zoon Filip wordt in september 30 jaar. De tweede heet Elise, maar zij is overleden toen ze zeven maanden oud was. De derde, de jongste, is mijn dochter Hilde. Zij is in december 25 jaar geworden, dus wordt 26 in de volgende december. De tweede is op zeven maanden gestorven aan wiegendood. Van mijn kinderen is de eerste doof, de tweede, ja dat is moeilijk te beoordelen, zij was waarschijnlijk slechthorend, en de derde is ook doof.”
Soetkin: “Zijn jouw bevallingen thuis gebeurd, of in het ziekenhuis?”
Marie-Rose: “Mijn broers hebben allemaal kleine kinderen, en ik wilde ook graag zwanger worden. In oktober zijn we dan getrouwd, en ik december was ik zwanger. Mijn man wilde graag kinderen, en ik wilde dat ook graag. Een tijdje later was ik ziek en ging gewoon naar de dokter, want ik moest overgeven. Maar ik had gewoon griep en ik moest een week thuisblijven. Na verloop van tijd merkte ik dat ik mijn maandstonden niet meer kreeg. Eerst negeerde ik dit even, maar toen ging ik opnieuw naar de dokter en dan bleek ik dus zwanger te zijn. Ik had ook aan mijn schoonzus, die ook doof is, gevraagd naar welke dokter zij ging. Zij gaf mij de naam van dokter Huysman. Bij hem ben ik toen geweest, en besprak opnieuw dat ik mijn maandstonden niet meer kreeg. Hij zei dat ik inderdaad zwanger was, daarna is hij me blijven begeleiden tot het einde van die negen maanden.”
Soetkin: “Bij die contacten met de dokter, hoe verliep de communicatie dan? Had je een tolk mee?”
Marie-Rose: “Nee, dat was nooit het geval, vroeger bestond dit niet. Alles verliep oraal.”
Soetkin: “En jij moest liplezen.”
Marie-Rose: “Inderdaad, en doordat mijn schoonzus ook naar die huisdokter ging kende hij onze familie, dus hij wist wel hoe hij met dove mensen moest communiceren. Omdat er dus nog een andere dove familie in Torhout woonde.”
Soetkin: “En dan, in het ziekenhuis,…”
Marie-Rose: “Nee, nee, dokter Huysman werkte in een speciale kliniek.”
Soetkin: “Was dat in Torhout?”
Marie-Rose: “Ja ja, dat was in Tohout.”
Soetkin: “Jij hebt drie bevallingen gehad, heb je verschil ervaren tussen die verschillende bevallingen?”
Marie-Rose: “Het was drie keer bij dezelfde dokter Huysman. Huysman is zijn familienaam hé, dus ja, drie keer bij hem.”
Soetkin: “Misschien kende die dokter Huysman je na verloop van tijd gewoon beter, en de… hoe moet ik dit vragen… Verliep de communicatie bij de derde keer beter dan bij de derde keer?
Marie-Rose: “Ja, bij de derde keer kende hij me natuurlijk al van vroeger kende, van bij de eerste twee consultaties.”
Soetkin: “Toen je zwanger was, en je had vragen, of dingen die je wilde weten, waar kon je dan informatie vinden? Las je boeken, of…”
Marie-Rose: “Ik heb altijd graag kinderen gewild, daar had ik altijd van gedroomd.”
Soetkin: “Ja, maar, bijvoorbeeld, als je je tijdens de zwanger afvroeg hoe de bevalling zou verlopen, had je dan informatieavonden of zoiets…”
Marie-Rose: “Ik had een boek van school waarin ik hierover bij kon leren. Daarin stond informatie over zwangerschap, over hoe het nieuwe leven groeit, of er pijn zal zijn, wat je niet mag doen,… Mijn dokter had ook op voorhand gezegd dat het beter zou zij als ik prenatale sessies moest volgen, om onder andere te leren hoe ik moet ademhalen als de bevalling begint. Dit heb ik dan gedaan, hierdoor heb ik oefeningen aangeleerd.”
Soetkin: “Die voorbereidende sessies daar, hoe legden ze je daar uit wat je moest doen?”
Marie-Rose: “Ik volgde die sessies één avond per week.”
Soetkin: “Maar hoe verliep de communicatie daar? Via spraakafzien?”
Marie-Rose: “Nee nee, ik keek naar wat de andere mensen in de sessie volgden deden, en ik deed gewoon mee met de ademhalingsoefeningen.”
Soetkin: “Ging je man ook mee naar de die lessen?”
Marie-Rose: “Nee,nooit, ik ging er alleen naar toe. Hij zou er speciaal verlof voor genomen moeten hebben. Ik moest dit niet doen omdat de lessen ’s avonds doorgingen.”
Soetkin: “Wat wilde ik nog vragen? Beeld je eens in: nu ben je opnieuw zwanger, in deze tijd, nu er wel tolken zijn, en met alles wat er nu is. Zou je nu wel een tolk meenemen?
Marie-Rose: “Dat is nodig ja. Als ik kanker of zo zou hebben zou ik echt een tolk nodig hebben.”
Soetkin: “En in de verloskamer, zou je daar ook een tolk meenemen?”
Marie-Rose: “Ik heb daar eigenlijk nog nooit over nagedacht.”
Soetkin: “Het is een moeilijke vraag hé.”
Marie-Rose: “Vroeger waren er geen tolken, nu wel, en dat is zeker beter, nu willen jongeren meer dingen kan te weten komen en meer vragen. Vroeger, in mijn tijd bleef het oppervlakkiger, je knikte gewoon van ja, zei oké, en daar waren we tevreden mee”.
Soetkin: “David (achter de camera) heeft ook een vraag. Onlangs heeft hij een bevalling meegemaakt waarbij een tolk aanwezig was, wat dit een positieve ervaring voor hem?”
Marie-Rose: “Daar in Denemarken zijn er veel tolken. Dove mensen hoeven daar zelf niets voor te betalen. In België kan je veel minder beroep doen op een tolk. Dat is wel heel jammer.”
Soetkin: “Maar wad het een positieve ervaring? Voelden ze zich er goed bij dat er een tolk aanwezig was? Vonden ze het niet raar dat er een vreemde persoon aanwezig was? Vonden ze dit leuk, en konden ze het aanvaarden?”
Marie-Rose: “Ja, ik denk het wel.”
Soetkin: “Het was geen probleem voor hen.”
Marie-Rose: “Nee.”
Soetkin: “Het meisje moet natuurlijk ook akkoord zijn.”
Marie-Rose: “Ja…”
Soetkin: “David vraagt; wat vind je van ons initiatief om met ons project een website te maken waarin we informatie omzetten in Gebarentaal, zodat je daar filmpjes kan bekijken?
Marie-Rose: “Ik zal er zeker naar kijken, ik wil graag alles uitpluizen, ik ben altijd nieuwsgierig en onderzoekend, ik vind dat leuk.”
Soetkin: “Oké, nu hebben we enkel de brochure van kind en gezin die we aan het vertalen zijn, maar later komt er misschien meer.”
Soetkin: “Dank je wel.”
Interview met Ria en Léon
Soetkin: “Hallo, dank je om naar hier te komen. Kunnen jullie jezelf eens voorstellen? Kort even vertellen wie jullie zijn, of jullie kinderen hebben, en hoeveel? Daarna zal ik enkele vragen stellen over je bevallingen en zo.”
Ria: “Moet ik mijn naam zeggen? Mijn naam is Ria Vanzieghem. Ik heb twee kinderen, twee zonen, Geert en Filip. Moet ik ook iets zeggen over mijn kleinkinderen?”
Soetkin: “Dat mag ook, ja.”
Ria: “Ik heb zes kleinkinderen.”
Soetkin: “In welk jaar zijn je zoons juist geboren?”
Ria: “De oudste, Geert is geboren in 1965, en de tweede, Filip, is van 1967.
Soetkin: “Waar ben je toen bevallen? In het ziekenhuis?
Ria: “In het moederhuis in Zwevegem.”
Soetkin: “Toen je naar het moederhuis ging, kende de dokter daar gebaren?”
Ria en Léon: “Nee, niets hoor, we schreven alles op.”
Soetkin: “Heb je een gewone bevallingen gehad? Geen keizersneden?
Ria en Léon: “Nee, de bevalling is op natuurlijke wijze verlopen, ook bij de tweede.”
Soetkin: “Waren er moeilijkheden met de communicatie?
Léon: “Absoluut. Die was echt heel slecht. Eigenlijk was er quasi geen communicatie. Gelukkig was haar moeder er om te helpen zodat we toch een en ander konden begrijpen. Wij trokken gewoon onze plan.”
Soetkin: “Er was ook geen tolk aanwezig.”
Ria en Léon: “Nee, vroeger bestonden er geen tolken.”
Soetkin: “Het was gewoon jouw mama die meeging om wat te vertalen.”
Léon: “Om ons te helpen, ja”
Ria: “Maar mijn moeder kon ook niet echt helpen.”
Léon: “Ook haar zus was er om te helpen.”
Ria: “Mijn zus ja, maar zij ging nooit mee naar de dokter hoor.”
Léon: “Ja, dat is waar, die niet nee.”
Soetkin: “Wanneer je voor de bevalling op consultatie ging bij de dokter, hoe verliep dit dan?”
Léon: “Dat was bij de huisdokter.”
Soetkin: “Werd alles ook opgeschreven?”
Ria: “Ja, we schreven àltijd alles op? De dokter probeerde duidelijk te articuleren. Soms begrepen we het, maar soms ook niet, en dan moest het toch opgeschreven worden.”
Léon: “Dat is waar. Als de dokter gewoon sprak, dan knikten we soms gewoon maar van ja. Tja… ’t Is waar hé, we knikten, en toen kwamen we thuis en waren eigenlijk niet veel wijzer.”
Soetkin: “Als je zelf thuis met vragen zat wat er zich zoal in je buik afspeelde, en je wilde zelf op zoek gaan naar informatie, hoe deed je dat dan? Hoe deed je dat vroeger? Nu heb je internet bijvoorbeeld, maar toen had je dit niet? Hoe ging je dan te werk om informatie te zoeken?”
Ria: “Toen we pas getrouwd waren, wilde ik graag kinderen. Na twee maanden voelde ik mij niet zo goed, en de vier weken waarna ik normaalgezien ongesteld zou worden waren ook al voorbij. Ik wilde graag naar de dokter gaan, want ik hoopte wel dat ik zwanger was. Toen ben ik toch naar de huisdokter geweest. Ik vertelde hem dat ik misselijk was, en dat ik na vier weken mijn maandstonden niet gekregen had. Dan onderzocht hij me, en ja, ik was zwanger. Ik twijfelde wanneer ik voor de laatste keer ongesteld was geweest, maar ik had het opgeschreven en ik toonde dit aan de dokter. Die zocht toen in een groot boek op wanneer de voorziene bevallingsdatum zou zijn, en dit was 31 mei. Ik was heel erg blij. Twee maanden later ging ik terug naar de dokter. Alles ging prima. Twee maanden later, toen ik vijf maanden zwanger was en ik al een buikje begon te krijgen, ging ik opnieuw naar de dokter. Ik vroeg hem of hij kon weten of het een meisje of een jongen zou worden, maar dit was absoluut onmogelijk.”
Soetkin: “Ja, dat weet ik.”
Léon: “Vroeger bestond er nog geen echografie.”
Ria: “En toen, op 31 mei, dacht ik dat ik zou bevallen, maar er gebeurde niets. Maar ’s avonds begon ik wat buikpijn te krijgen, voelde ik me misselijk, moest ik overgeven, had ik diarree, en kreeg nog meer buikpijn. Ik verwittigde de dokter, die langskwam, en blijkbaar begon het wel al wat op gang te komen. Hij voelde onderaan, maar hij zei me dat ik nog wat moest afwachten. Het was nog niet genoeg, en ik moest nog wat geduld hebben. De dokter ging terug naar huis, maar toen begon ik wel al een beetje ongeduldig te worden. Na een tijdje kon ik niet meer van de weeën, en toen kwam de dokter opnieuw. Hij zond me dan naar het moederhuis in Zwevegem. Hij reed er ook zelf naartoe, hij ging mee met ons. In het moederhuis werd ik naar een kamer geleid. Ik dacht dat ik al mocht bevallen, maar nee, het was een gewone kamer. Ik kon echt niet meer, en wilde echt bevallen, en toen kwam de zuster, want in die tijd waren daar nog zusters, en zij bracht mij naar de verloskamer. Toen ik daar was onderzochten ze me en ik mocht beginnen persen. Dat was wel lastig, want ik was al moe, en toen was de baby er eindelijk.”
Léon: “Ik heb het gezien.”
Ria: “Jazeker, hij heeft het gezien. De baby was er dus eindelijk, en Léon zei me dat het een jongen was. Oh, een jongen, zei ik een beetje teleurgesteld, want ik dacht dat het een meisje zou zijn.”
Léon: “Ja, dat is waar, toen ze zwanger was keek ze echt alleen maar uit naar meisjes. Met de mogelijkheid op een jongen hield ze helemaal geen rekening. Ze hoopte echt op een meisje, maar nee hoor, ze sloeg de bal helemaal mis, het was een jongen.”
Soetkin: “Dan had je de kamer alvast in het roze geschilderd… Nee hoor….”
Ria: “Ik had op mijn namenlijstje ook alleen maar meisjesnamen opgeschreven. Voor een jongen had ik eigenlijk geen naam. Ik wist het niet, en dan kwam de naam Geert in ons op. Ik vond het jammer dat het een jongentje was, maar dat gaf niet. Ik moest tien dagen in het moederhuis blijven en in de kamer was helemaal geen televisie.”
Soetkin: “Tien dagen?”
Léon: “Ja ja, ze moest tien dagen in het moederhuis blijven.”
Ria: “Ja, tien dagen, dat was wel zwaar hoor.”
Soetkin: “David (achter de camera) heeft ook een vraag voor jullie. Als je nu zwanger zou zijn, hoe zou je dan nu de dingen oplossen? Zou je een tolk meenemen, als je er nu voor zou staan?”
Ria en Léon: “Euh… Ik kan het moeilijk zeggen.”
(Omstaanders helpen met de vraag te verduidelijken.)
Léon en Rita: “Ja, dat is waar, we zouden zeker een tolk meenemen als we nu opnieuw in verwachting zouden zijn, ja. Maar vroeger bestond dit niet.”
Soetkin: “Ik heb nog één vraagje. Ik heb het eigenlijk al gevraagd, maar je hebt de vraag niet echt beantwoord. Als je vragen had over de zwangerschap, en je bijvoorbeeld wilde weten wat er wanneer zou gebeuren, hoe zocht je dan een antwoord op die vragen? Vroeg je het aan een persoon, bijvoorbeeld je moeder, of zocht je in boeken, of…”
Léon: “We deden niets…”
Ria: “Ik heb het al gezegd, vroeger zei ik daar niet veel over. In boeken lezen, ja, dat deed ik wel maar vroeger sprak ik echt niet veel, ik was heel stil.”
Soetkin: “Je hield het dus gewoon voor jezelf.”
Ria: “Ik had ook geen contacten met andere doven.”
Soetkin: “David heeft nog een vraag. Nu zijn wij bezig met het ontwikkelen van een website om daarop filmpjes te plaatsen met informatie over zwangerschap in gebaren. Denk je dat dit interessant kan zijn?”
Ria: “Ja hoor, ik zal kijken.”
Soetkin: “Ga je alles eens bekijken?”
Ria: “Zeker.”
Soetkin: “Dank je voor dit interview.”
|
|